Gewoon wat leuteren met een oude vriend bij enkele glazen, dat kan soms deugd doen. We hebben het geluk nog een tafeltje te vinden in het café waar we binnenstappen, want de zaak zit goed vol. Na een klein uurtje besluit het gezelschap aan de tafel naast die van ons om te vertrekken. Hun plaats wordt dadelijk ingenomen door een ander groepje, dat aan de toog staat te wachten op zitplaatsen. Nog geen vijf minuten later komt een jonge vrouw van het eerste gezelschap terug binnengestoven. Haar enorme, overmatig gevulde handtas bungelt met één draagriem aan haar arm en hangt open. Geagiteerd begint ze een drukke conversatie met de mensen van het tafeltje waaraan ze gezeten heeft, terwijl ze druk gesticuleert en ze nu eens naar de tafel, dan weer naar de grond wijst. Hoewel we niets verstaan van wat ze zegt, volgen we bij gebrek aan beter het hele gedoe; we hebben tijd genoeg. Mistroostig graait ze met beide handen in de diepte van haar handtas, die ze tussen de glazen op het tafelblad gezet heeft. Daarna richt ze haar blik omhoog, naar het plafond. Wanhopig is ze, dat moet de meest idiote bezoeker van dit verbruikslokaal wel doorhebben. Nu doet ze het weer: met gestrekte arm en een priemende vinger onder en naast die tafel wijzen waar ze eerst zat, en naar plaatsen op de vloer vlakbij waar op het eerste zicht niks speciaal te bespeuren valt. Wat ongemakkelijk volgen de tafelgasten haar vinger met hun blik. Een oudere man uit het gezelschap bukt zich zelfs en speurt de vloer rondom hem af. Als de vrouw echter op haar hurken zakt om de tegels beter te bestuderen, plooit het hele groepje het bovenlichaam neerwaarts. Het lijkt wel alsof ze iets specifieks zoeken. Ook de mensen aan een belendende tafel buigen zich voorover. Voor de paniekerige vrouw vormt dit feit de aanleiding om zich met open handtas naar hun tafeltje te verplaatsen en eenzelfde onverstaanbare monoloog te starten. Intussen blijft ze met die handen van haar verder ploeteren in de ingewanden van haar handtas, alsof ze de inhoud ervan tot één grote brij aan het kneden is. Tot ze plots met een schokje volledig stilvalt, als een trommelend konijn met een lege batterij. Op haar gezicht verschijnt een gelukzalige glimlach, die ik nog het best kan associëren met de uitdrukking die men heeft na gedane arbeid in bed. Zij heft haar arm de hoogte in; tussen haar vingers bungelen haar autosleutels. Ik wed ervoor dat ik niet de enige ben die een spontane aandrang krijgt om te applaudisseren om de opgedane (overgedragen) stress te kanaliseren.
Mijn autosleutel zit altijd in de linkervoorzak van mijn broek. Veel ruimte om te verdwijnen heeft hij daar niet. Een autosleutel en geld (zit in mijn rechterzak, ID-kaart en rijbewijs heb ik in mijn wagen achtergelaten), da's alles wat ik nodig heb als ik een glas ga drinken. Blijkbaar geldt dat niet voor iedereen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten