Grote en kleinere voorbeelden

Zondag 5 april 2009

Vergeeft u me, koninklijke leenheren/leendames en aanhorigheden/vazallen, maar het is al enkele lichtjaren geleden dat ik nog zo spontaan en smakelijk gelachen heb met een polemisch geschrift als Sisyphus' bakens van Jeroen Brouwers. Hilarisch de beschrijving van de strekkende meters literatuur die verschillende ongeletterde leden van het koningshuis gratis en zonder blikken of blozen in ontvangst nemen, en die niet alleen. Eigenlijk valt er met het behandelde onderwerp helemaal niet te lachen, integendeel zelfs. De schrijver wordt hier terecht voorgesteld als een compleet ondervoede Biafraan die met een zeker gevoel voor cynisme op zijn bolle buik wijst en zegt dat hij wegens indigestie een volgende maaltijd wel aan zich zal laten voorbijgaan. Laffe dweil die ik zelf ben om tot nu toe te kiezen voor een veilige combinatie van een (eveneens onzekere) carrière (haha!) in de sociaal-economische sector en de dwingende roeping van het auteursschap. Met een onbedwingbaar gevoel voor autodestructie heb ik vandaag echter een mail gestuurd teneinde de nodige documenten in handen te krijgen voor een stimuleringsbeurs van het Fonds voor de Letteren, die me dit of volgend jaar in staat moet stellen een zekere periode - men moet niet te onvervaard beginnen - voltijds bezig te zijn met de creatie van literaire teksten. Om zelfs maar een halve plank van een toch smalle Billy-boekenkast uit de Ikea bij elkaar geschreven te krijgen, moet ik mij minder onledig houden met zinvolle, doch in dit verband compleet irrelevante activiteiten.
Dimitri Verhulst heeft me vandaag al een oplossing aangereikt voor de latente armoede die een gemiddeld Vlaams (en Nederlands) schrijver sowieso te beurt valt als hij/zij wil volharden in zijn roeping: schnabbelen (of het anders gewoon opgeven, ondanks het onmiskenbare talent, zoals de prima auteur Alex Boogers deed, die ons met zijn laatste roman Het sterkste meisje van de wereld nog een mooie nalatenschap bezorgde: massaal kopen en lezen dus!) Maar ik had het over schnabbelen: collega Verhulst zit urenlang op de publieke televisiezender commentaar te geven tijdens de Ronde van Vlaanderen, met de nodige expertise, dat wel, dat mag betaald worden. Een zelfonderzoek over mijn expertises dringt zich op. Zou ik daar niet teveel tijd mee verliezen, zodat mijn schrijversschap weer in het gedrang komt? (Eenzelfde vrees bekruipt me wanneer ik denk aan al het papierwerk tot het bekomen van een stimuleringsbeurs van het Vlaams Fonds voor de Letteren.) Aan het geven van commentaar bij wielerkoersen moet ik in elk geval niet denken, wil ik niet denken. Toen de sportjournalist aan verschillende renners en ploegleiders vroeg of ze al iets van Dimitri Verhulst gelezen hadden, was hun antwoord unisono: Ik ken hem van ziens, van op TV, maar niet van een boek of neeje, boeken, dat lees ik niet. Raar dat men de moeite doet om voor schrijvers alsnog prijzen uit te reiken. Iedereen de fiets op en koersen maar! Het enige wat men dan kan lezen, zijn de woorden op de koerstenues. En vermits daar toch alleen reclame op staat, moet men die moeite niet doen.

Geen opmerkingen: